Sturgill Simpson in Paradiso: rauw en ongefilterd

Een dinsdagavond in maart. Amsterdam zindert nog van de eerste lentedagen, maar binnen in Paradiso is het al een zweterige zomer. Tot de nok gevuld met veel geruite hemden en cowboyhoeden, een verwachtingsvolle menigte die zich vergaapt aan het summum van eigentijdse outlawcountry: Sturgill Simpson.
Door Ludo Diels
Acht albums verder, onder eigen naam en zijn nom de plume Johnny Blue Skies, een reputatie als eigenzinnige vaandeldrager van een genre dat hij naar eigen inzicht herdefinieert. Op plaat, dat moet gezegd, laat hij me nog weleens struikelen over obligate intro’s, klanktapijten en effecten die zijn songs eerder verbergen dan blootleggen. Maar live? Live tapt Simpson uit een ander fust. Geen poespas, geen opsmuk, geen aanloop. Vanaf de eerste noot is het recht voor zijn raap.
Met Life Of Sin schiet hij om acht uur uit de startblokken. Bam. Binnen twee maten zit de groove erin, en zonder pauze volgt The Promise, de tearjerker van When In Rome, die hij transformeert tot een smartelijke, hartverscheurende ballade. Zijn stem scheurt en schaaft langs de rafels van de melodie, de band is loeistrak, de zaal is stil, althans naarmate je verder van de bar af staat. Maar Simpson rept met geen woord. Het eerste uur speelt hij alsof hij een trein moet halen. Nummers lopen over in elkaar, ademruimte is er niet. Het tempo ligt hoog, zo hoog dat het bijna plichtmatig voelt. Hier is iemand die zijn muziek als een lawine over het publiek uitstort, zonder een moment van bezinning. En toch, je kunt niet wegkijken. Even dreigde ik af te haken, maar dan na een uur, richt hij zich voor het eerst tot de zaal: It’s a privilege to play here. Een kort moment van erkenning, een zucht in de storm. Dan weer verder, meedogenloos.
Wie dacht een avond lang nostalgische countrydeunen te horen, kwam bedrogen uit. Simpson sloeg een andere weg in. Dit was outlawcountry op de rand van rock-'n-roll, doorspekt met soul, blues en zelfs heavy metal. Geen wonder dat hij ooit opende voor Guns N' Roses. Zijn stem, diep en doordringend, herinnert – zoals vaak wordt gezegd – aan Waylon Jennings, maar wie goed luistert hoort meer. Willie Nelson, Merle Haggard, zelfs Otis Redding en Gregg Allman. Maar Sturgill Simpson is een muzikale zwerver die zich niet laat vastpinnen op één stijl of stroming. In interviews downplayde hij de invloed van Jennings weleens. Toch heeft zijn timbre onmiskenbaar die klank.
Halverwege de set duikt A Whiter Shade Of Pale op, en het blijkt geen verstilde melancholieke interpretatie, maar een dwingende, stomende bewerking die het origineel van Procol Harum zowaar naar de kroon steekt. Even eerder al rammelde hij zich door Midnight Rider van The Allman Brothers Band. Telkens weer dat geweldige gitaarwerk. Zelf speelt hij de ritmische lijnen, terwijl zijn leadgitarist Laur Joamets met moordende precisie solo’s afvuurt. Dit is geen country die binnen de lijntjes kleurt. Dit is een stormram.
Twee uur tikt de set aan, maar Simpson is nog niet klaar. Hij neemt een slok van zijn bier, kijkt het publiek in en grijnst: If you gotta go home for the babysitter, you’re excused. Gelach, geroezemoes, mensen die een blik wisselen: gaan we door? Hij denkt van wel. De energie in de zaal verschuift. Het strakkere regime van de eerste helft maakt plaats voor een losgeslagen, duivels bevlogen slotstuk. Met minder mensen wordt het pas echt een viering. De remmen gaan los, de groove wordt nog wat vuiger, de distortion nog wat vetter. De ziel van de muziek komt tot leven in zijn meest pure vorm: ongepolijst, compromisloos en rauw.
Sturgill Simpson bewees dat genres slechts een menselijke poging tot ordening zijn, dat country rock kan zijn en rock country. Maar vooral dat muziek pas leeft en ademt als ze een ziel heeft. Voor herhaling vatbaar? Ongetwijfeld. Maar wat hier gebeurde, valt niet te herhalen. Het was een moment, een flits, een nachtrit zonder remmen in hartje Mokum.